Het Vrije Denken
Geïnspireerd door de tentoonstelling "Vrijstaat Amsterdam" (onderdeel van de 4e Internationale Architectur Biënnale Rotterdam-Amsterdam) en het open verhalen- en discussieprogramma over de toekomst van de stad Amsterdam schrijf ik vandaag een stukje over het vrije denken.
Spinoza
Bij het vrije denken moet ik in eerste instantie denken aan Spinoza.

Benedictus de Spinoza (1632-1677)
Hij is zonder twijfel de bekendste wijsgeer van Nederlandse bodem en hoort tot het kleine gezelschap van klassieke filosofen die gezichtsbepalend worden geacht voor de geschiedenis van het westerse denken. Zijn argumenten voor de vrijheid van denken zijn te onderscheiden in een filosofisch, een rationeel en een ethisch argument ('Spinoza en het vrije denken', lezing door Miriam van Reijen, Wageningen, 20 september 2008).
Het filosofische argument berust op de aard van de mens. Het veelvoud van meningen is simpelweg niet op te heffen omdat iedereen noodzakelijk ziet en denkt zoals hij geaard en beïnvloed is. Het is onmogelijk mensen te beletten te denken wat zij denken. Het is dus ook onmogelijk iemand het zogenaamde ‘recht op‘ vrij denken te ontnemen, omdat het altijd in ieders vermogen blijft. Het is zelfs onmogelijk voor mensen die dat willen, om zelf anders te denken dan ze denken. Het hebben van een bepaalde mening, juist of niet, is niet te voorkomen. Ook het al of niet uiten daarvan is geen vrije keus. Wel is het mogelijk dat de staat via inspelen op het eigenbelang van de individuen hun afwegingen bij het spreken en publiceren beïnvloedt.
Het rationele argument betreft het doel van de staat, namelijk het garanderen van de veiligheid en de rust en daardoor het bevorderen van welvaart, vrijheid en geluk van de burgers. De soeverein kan uiteindelijk de macht niet behouden met verbieden en onderdrukken. Hij moet de vrijheid van spreken en publiceren toestaan (een kleiner kwaad) om niet ten onder te gaan (een groter kwaad). Onderdrukking roept onvrede en verzet op en is dus contraproductief. Tegelijk is de veiligheid en rust ook Spinoza’s rationele argument voor de grens ervan, die ligt bij het handelen dat een bedreiging is voor de veiligheid van en in de staat. Het is wél toegestaan kritiek te geven op een bepaalde wet, maar niet om de wet niet in acht te nemen zolang zij van kracht is.
Spinoza heeft ook een ‘ethisch’ argument, met als doel een redelijk en gelukkig leven. Macht = ethiek= deugd, vergelijk gezond! De vrijheid van denken is een deugd, een vorm van macht en van zelfrealisatie. Vergelijk dit met: ‘ken u zelf’! Het natuurlijke streven naar kennis wordt gehonoreerd en dat geeft vreugde. Alleen de religieuze en politieke vrijheid van handelen kan en moet worden beperkt. Dat is immers de mogelijkheidsvoorwaarde voor ‘vrije’ meningsvorming, onbelemmerd door indoctrinatie en gebrek aan informatie.
Spinoza pleit dus voor de vrijheid van denken, spreken en publiceren, maar niet van alle handelen. Omdat mensen altijd verschillend zullen oordelen moet er één instantie beslissen over het handelen, net als bij verkeersregels en spelregels. De staat moet de burgers dit onderscheid tussen spreken en handelen duidelijk maken, en het redelijke ervan doen inzien. Spinoza ziet overwegend voordelen van de vrijheid van spreken en schrijven. Het verbieden zet sommigen er eerder toe aan, leidt tot verzet bij de besten die niet kunnen veinzen, en tot vleierij bij weer anderen. Van het verbod op denken en spreken profiteren bepaalde groepen, die zich daarop laten voorstaan, en daardoor anderen verbitteren. Een uitwisseling van en confrontatie met andere opvattingen ontwikkelt het zelfbegrip en het begrijpen van de wereld. De staat moet door bijvoorbeeld referenda discussiebereidheid stimuleren. De mogelijke negatieve effecten van de vrijheid van denken en spreken moet de overheid zoveel mogelijk in de hand houden, zoals ze dat ook doet bij andere niet verboden zaken, die voor sommige mensen ongewenste effecten kunnen hebben, zoals alcoholgebruik, verkeer, en sport. Dat zijn de risico’s die het leven in een samenleving met zich mee brengt.
The Amsterdam Principles
Echter, willen mensen tot handelen (daden) komen, dan zullen zij rond de tafel moeten gaan zitten. Dat is ‘de kunst van het polderen’, het plaatsnemen rond de poldertafel. Hoe doe je dat? Nederlanders hebben een haat-liefdeverhouding met polderen. Toch is het de enige democratische manier om tot goede besluiten te komen. Dit vereist dialoog. Zef Hemel (DRO, Amsterdam) vat de beginselen van het polderen samen in negen beginselen, de Amsterdam Principles:
Storytelling
Eén van de negen beginselen is verhalen delen, ofwel storytelling. Storytelling houdt in dat mensen hun eigen verhalen kunnen vertellen en dat al die verhalen niet alleen nieuwe kennis en inzichten opleveren, maar ook inspiratie. Scheidslijnen tussen droom en werkelijkheid zijn in deze opzet vaag. Door het uitwisselen van persoonlijke ervaringen, inzichten en verlangens worden de verhalen tegelijk visionair en praktisch.
Het mooie aan verhalen is de complexe realiteit erkennen. Ze zijn bescheiden omdat ze de kloof tussen werkelijkheid en idee nooit kunnen overbruggen. Er vindt geen finale duiding van de werkelijkheid plaats. Verhalen zijn per definitie open. Door hun bewegelijke vorm manifesteren ze zich als een creatief proces van betekenisgeving. Storytelling lijkt mensen ontvankelijk te maken. Dat komt doordat vertellen doorgaans wordt geassocieerd met plezier, ontspanning, gezelligheid en zelfs saamhorigheid. Toehoorders worden uitgenodigd zich in verschillende rollen en karakters te verplaatsen. Het verhaal nuanceert daarmee een wij-zij houding waartoe mensen van nature geneigd zijn als het gaat om het tegemoet treden van een onbekende toekomst. Uiteenlopende belangen kunnen gemakkelijker met elkaar worden verzoend omdat in een narratief proces mensen geneigd zijn zich open te stellen voor kritiek en onderhandeling en bereid de eigen overtuiging bij te sturen. Daar komt bij dat mensen sneller vertrouwen voelen in de toekomst als herkenbare situaties in een groter verband worden geplaatst. Anders gezegd: bij storytelling kan er weer worden gedroomd.
Aboriginals
De Aboriginal cultuur heeft een orale traditie van kennis overdracht en het storytelling is een belangrijk cultuur element. Het is een integraal onderdeel van het leven voor indigenous Australians.
Vanaf jonge leeftijd speelt het vertellen van verhalen een vitale rol in de opvoeding van kinderen. Het vertellen van verhalen helpt om te verklaren hoe het land zich heeft gevormd en werd bewoond, hoe ze zich moeten gedragen en waarom, waar op bepaalde plekken eten te vinden is, etc. Verzameld rond het kampvuur in de avond, op een expeditie naar een favoriete waterput, of op een bijzondere plek vertellen ouders, grootouders of tantes en ooms de verhalen als onderdeel van het onderwijzen van hun kind. De meeste verhalen zijn oude en nieuwe gelijkenissen, die men kan toepassen op concrete levenssituaties en waar men lessen uit kan trekken. De oudsten zijn daarom een bijzonder bekwaam en deskundig verteller als 'hoeder' en 'bewaarder' van de verhalen. Als kinderen uitgroeien tot jonge volwassenen wordt hen steeds meer van de geschiedenis en cultuur verteld. Zo nemen de volwassenen hun verantwoordelijkheid voor het doorgeven van de verhalen aan de volgende generaties. Op deze manier zijn de verhalen duizenden jaren overgedragen sinds het begin van de tijd, sinds ' the Dreamtime' (Droomtijd). De droomtijd is niet een bepaalde tijd uit het verleden. Het is een tijdsdimensie en een andere realiteit naast die van alle dag. De droomtijd is dus ook nu.
Het is tijd om verhalen te vertellen en te dromen!